Transport is voor de Belgische gezinnen de op twee na grootste uitgavenpost, na huisvesting en voeding. Dat blijkt  uit cijfers van het Federaal Planbureau. Belgische gezinnen besteden 11% van hun inkomen aan vervoer. Op de eerste plaats komen uitgaven voor huisvesting (24%). Op de tweede plaats komt voeding (13%).
De helft van die uitgaven voor transport komt op rekening van het persoonlijk voertuig. Op de eerste plaats dan de uitgaven voor brandstof en onderhoud. Binnen die categorie van de vervoersuitgaven komt de aankoop van het voertuig op de tweede plaats, gevolgd door de uitgaven voor openbaar vervoer, taxi’s en vliegtuigen. Het aandeel van deze vervoersdiensten is klein, maar stijgt voortdurend.

Het aandeel van de vervoersuitgaven stijgt met het inkomen van de gezinnen. Voor de gezinnen met de laagste inkomens gaat een groter deel van hun uitgaven naar de uitgaven voor openbaar vervoer en de gebruikskosten van voertuigen. Die uitgaven kunnen worden beschouwd als ‘noodzakelijke’ uitgaven om zich te kunnen verplaatsen. Voor de meer welgestelde gezinnen gaat een groter deel van hun uitgaven naar de aankoop van persoonlijke voertuigen. Voor die duurdere aankopen gaat het vaker om vrijwillige uitgaven die te maken hebben met vrije tijd of sociale status. Toch geven de Belgen minder uit voor hun vervoer in vergelijking dan de gezinnen in Frankrijk, Duitsland en Nederland.