UNIZO Provincie Antwerpen pleit ervoor om via gemeentelijke fiscale maatregelen ondernemers te compenseren die hinder ondervinden van openbare werken, ongeacht Vlaamse of andere steunmaatregelen zoals de Hinderpremie. UNIZO lanceert dit initiatief nu blijkt dat de werken aan de Leien in Antwerpen negen maanden langer gaan duren dan voorzien.

Kristof Willekens, themadeskundige en belangenbehartiger bij UNIZO Provincie Antwerpen: “Maar uiteraard zouden de door ons voorgestelde maatregelen ook moeten gelden op vele andere plaatsen in de provincie waar handelaars hinder ondervinden van openbare werken met alle financiële gevolgen van dien.”

Openbare werken zijn nefast voor bedrijven, zelfstandigen en vrije beroepen 

“Zelfstandige ondernemers en vrije beroepen dragen bovengemiddeld veel bij tot de lokale financiën. Ze betalen immers net als ‘gewone’ burgers opcentiemen op de personenbelasting, onroerende voorheffing, huisvuilbelasting, enz… maar daarnaast betalen ze ook veel belastingen en retributies omdat ze hun zelfstandig beroep of bedrijf uitbaten in de gemeente”, gaat Willekens verder.

Voor UNIZO Provincie Antwerpen is het dan ook niet meer dan rechtvaardig dat ondernemers ondersteund worden door de gemeente waar ze gevestigd zijn, als hun bedrijf – en dus ook hun inkomen – bedreigd wordt als gevolg van openbare werken. “De gemeente zelf heeft er trouwens alle belang bij dat een onderneming de werken overleeft want bij een faillissement of een verhuis verliest de gemeente belastinginkomsten”, beklemtoont Willekens.  

Verschillende gemeentelijke steunmaatregelen zijn mogelijk

“De bouwwerf zoveel mogelijk stroomlijnen om de hinder te beperken en het aanbrengen van de nodige signalisatie zoals ‘handelaars bereikbaar’ is een voorbeeld. Of de gemeente zou een budget voor promotie en andere acties zoals tijdelijke spaar- of getrouwheidsacties, om klanten te belonen, kunnen toekennen aan handelaars én vrije beroepen. Uiteraard zou een tijdelijke vrijstelling van bepaalde gemeentebelastingen of parkeerretributies welkom zijn. En zo kunnen we nog wel een aantal voorbeelden bedenken”, besluit Willekens.