In de zomervakantie 2017 verraste de regering Michel ons met een politiek akkoord dat de Belgische vennootschapsbelasting eenvoudiger en aantrekkelijker zou maken: het zogenaamde ‘Zomerakkoord’. Made in Antwerpen vroeg aan fiscaal advocaat Jan Tuerlinckx van het Antwerpse kantoor Tuerlinckx, dat onlangs zijn intrek nam in een pand aan de Van Putlei, om duiding te geven bij de stand van zaken.

Jan Tuerlinckx: “Het Zomerakkoord is de blauwdruk van de grootste hervorming van de vennootschapsbelasting sinds de vermindering van het tarief van 39% naar 33% zo’n 15 jaar geleden. Ook in de personenbelasting zouden heel wat zaken wijzigen, dermate zelfs dat op bepaalde punten aan de zwaartekracht van de sociale wetgeving getornd ging worden. Goed half jaar later blijkt dat droom en werkelijkheid gescheiden worden. Door praktische problemen is de ene wet die uitvoering zou moeten geven aan het Zomerakkoord, er niet gekomen. Om door te drukken waarover al wel een politiek akkoord bestond, werd het akkoord in verschillende wetten opgedeeld. Bepaalde delen ervan zijn dus al wet, andere moeten dat nog worden. Nog andere zullen het wellicht nooit worden. Wie kan nog volgen?”

Waar staan we vandaag?

De Programmawet van 6 november 2017 bevatte een aantal elementen uit het Zomerakkoord, waarvan de belangrijkste zijn : (1) de werknemersparticipatie die voortaan moet mogelijk maken om een fiscaal aantrekkelijkere uitkering te verrichten aan een tarief van 7%; (2) de activering van de spaargelden met een verlaging van het vrijgesteld spaarinkomen en het vrijgesteld inkomen uit dividenden.

Het wetsontwerp betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie
Het ontwerp dateert van 11 december 2017 en moest de bekroning worden op de inspanningen die tijdens de zomermaanden werden geleverd én vorm geven aan de kern van het Zomerakkoord. Over een aantal essentiële elementen bleken de regeringspartijen het dan toch niet zo eens zoals zij aanvankelijk lieten uitschijnen in het Zomerakkoord. Onder meer het revolutionair stelsel van het belastingvrij bijverdienen vormde – en doet dat overigens tot op vandaag – de twistappel. Tot dusver is er nog geen eensgezindheid over alle maatregelen van dit wetsontwerp. Bijgevolg zijn deze elementen van het Zomerakkoord nog geen wet. 

Als compensatoire maatregel werd een taks op effectenrekeningen ingevoerd. Het mag al verwondering wekken dat het wetsontwerp houdende de invoering van de effectentaks van 11 december 2017 er al überhaupt kwam. Ook over de inhoud van de effectentaks waren de meningen van de regeringspartijen verdeeld. Voor de taks op effectenrekeningen werd dus een afzonderlijk wetgevend bestand opgesteld. De vele pertinente opmerkingen van de Raad van State over de grondwettelijkheid van deze maatregel staat de goedkeuring van de wettekst vooralsnog in de weg. Ook hier dus nog geen wet.

Om de hervorming van de vennootschapsbelasting alsnog te redden, werd beslist om de fiscale maatregelen van het wetsontwerp sociale cohesie over te nemen in het wetsvoorstel tot hervorming van de vennootschapsbelasting van 20 december 2017. Deze wet werd wel goedgekeurd op 22 december en vormt vandaag de Wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting die onder meer regelt:

a)             de wijziging van de algemene vennootschapstarieven:

Jaartal (aanslagjaar)                2018                                   2019                            2021

Standaard tarief                       33%                                    29%                             25%

Tarief voor kmo’s                     0 – 25.000: 24,24%             0 – 100.000: 20%        0 – 100.000: 20%

                                                25.001 – 90.000: 31%  

                                                90.001 – 322.500: 34,5%

Aanvullende crisisbijdrage      3%                                        2%                               0%

b)         de pro-rata aanrekening van kapitaalvermindering op gestort kapitaal met andere belaste of in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves;

c)         de nieuwe berekening voor de aftrek van risicokapitaal (lees: de quasi afschaffing van de notionele interestaftrek);

d)         de 7,5% minimumbelasting en de wijziging van de volgorde van de fiscale aftrekken;

e)         de voorwaarden voor de vrijstelling van meerwaarde op aandelen;

f)          de beperking van voorzieningen voor risico’s en kosten;

g)         de wijziging van afschrijvingsregimes;

h)         de wijziging van de berekening van autokosten.

Conclusie: “Het Zomerakkoord werd voorgesteld als één enkele set van maatregelen. Vandaag stellen we vast dat op een blind paard werd gewed. Alleen aandachtige volgers weten wat is, wat nog komt en wat niet meer komt”, besluit Mr. Tuerlinckx.

Nieuwe kantoren Tuerlinckx Fiscale Advocaten